Van salderen naar invoedtarief na 2020 – de businesscase voor zonnepanelen bij particulieren en kleinverbruik

zonnepanelen voor iedereen

Salderen verdwijnt en wordt vervangen door ander stimuleringsbeleid voor particulieren en klein-MKB om evengoed een positieve businesscase voor zonnepanelen te krijgen.  Hoe kan het beste het invoedtarief (of feed-in) worden ingevoerd om de terugverdientijd op niveau te houden? Onderstaand een voorstel én een financieel model om mee te rekenen, zodat de groei van zonne-energie ook bij kleinverbruik op niveau blijft.

Op 12 juli 2017 schreef minister Kamp in een kamerbrief dat salderen tot 2023 zou blijven bestaan. Nog geen 3 maanden later staat in het nieuwe regeerakkoord dat de regeling toch zal worden aangepast vanaf 2020.

Direct verbruik en opslag stimuleren

In een bijeenkomst van het ministerie van economische zaken in februari van dit jaar, over de toekomst van salderen, werd ons duidelijk dat de voorkeur van het ministerie uitgaat naar het invoeren van een zogenaamd ‘feed-in tarief’ zoals ook in Duitsland al jaren wordt toegepast. Deze regeling zorgt voor een vastgesteld tarief per aan het net (terug) geleverde kilowattuur (kWh). Een van de voordelen ten opzichte van salderen is dat direct verbruik en opslag gestimuleerd worden.

De NVDE kwam eerder al met een voorstel voor het toepassen van een invoedtarief. Het voorstel neemt een terugverdientijd van 7 jaar als uitgangspunt. Dit is gebaseerd op een rapport van PWC (voor commentaar lees op Polder PV) waaruit blijkt dat de terugverdientijd voor consumenten de belangrijkste overweging is om te investeren in zonnepanelen. De acceptabele terugverdientijd blijkt gemiddeld tussen de 5-9 jaar te liggen.

De nieuwe regeling moet tot doel hebben om zonne-energie bij kleinverbruik aansluitingen voldoende te stimuleren. PWC en NVDE hebben in hun stukken de particuliere woningeigenaar als uitgangpunt genomen. Maar ook huurders, VvE’s en het MKB beschikken over kleinverbruik aansluitingen. Bovendien is de lease & lening markt sterk in opkomst. Hier is geen sprake van 100% eigen vermogen (terugverdientijd) maar van vreemd vermogen (rentes en rendement).

Uitgangspunten

De brancheverenigingen Holland Solar, NVDE en het ministerie zijn het eens over het toepassen van een invoertarief, maar de belangrijkste uitdaging wordt om dit op een goede manier uit te werken. Er zijn een aantal uitganspunten waar een nieuw systeem aan moet voldoen:

  1. Het moet eenvoudig en goed te begrijpen zijn voor consumenten en het MKB;
  2. Het moet goed uitvoerbaar zijn voor de Nederlandse overheid/ netbeheerders/ energieleveranciers;
  3. Het moet zorgen voor een stimulering van alle type projecten (woningeigenaar, huurder, lease, lening, VvE en MKB);
  4. Het mag niet leiden tot overstimulering;
  5. Het moet zorgen voor lange termijn zekerheid.

Om aan deze discussie bij te dragen staat hier een financieel model in Excel. Hierin wordt een vergelijking gemaakt tussen een situatie waarin geen zonnepanelen worden geïnstalleerd de ‘oude energierekening’ en de situatie waarin dit wel zo is. In dat geval is er een ‘nieuwe energierekening’ en zijn er kosten voor de zonnepanelen. Het verschil tussen de oude rekening en de nieuwe rekening + de kosten, is de besparing. Op basis hiervan wordt het rendement berekend en een terugverdientijd getoond in de grafiek.

Cumulatieve kostenbesparing zonnepanelen - ZonnepanelenDelen

Iedereen kan de variabelen aanpassen om zelf te komen tot een optimaal invoedtarief. (Let op, wijzig alleen de gele cellen in kolom D)

Wij hebben zelf een aantal cases berekend en op basis daarvan een aanbeveling en een voorstel:

Aanbeveling:

De mening van consumenten peil je met terugverdientijd, maar beleid maak je met rendement. Daarom denken we dat het goed is om een bepaald rendement over een looptijd als uitgangpunt te nemen voor het vormen van beleid en niet terugverdientijd.

Aan de terugverdientijd van 7 jaar voor consumenten zit op dit moment een rendement (IRR) op eigen vermogen gekoppeld. Voor 10 jaar zo’n 5% en 15 jaar 9%. Een IRR van 7-9% voor 15 jaar zou het doel moeten zijn om alle projecten ook financierbaar te maken.

Voorstel v1.1  

(Update 20-10-2017 19:23. Voorstel aangepast n.a.v. feedback dhr. Bontenbal, Segaar en Zonneveld)
  • Ga voor aansluitingen t/m 3×25 ampère uit van een invoedtarief van 14 cent per kWh (2018)  t/m 2023 (6 jaar) bouw dit vervolgens met 2% (lineair, t.o.v 2023) per jaar af.
  • Ga voor aansluitingen tussen 3×40 – 3×80 ampère uit van een invoertarief van 12 cent per kWh (2018) t/m 2023 (6 jaar) bouw dit met 2% (lineair, t.o.v 2023) per jaar af.
  • Er is geen maximum aantal jaren dat men gebruik mag maken van de regeling.
  • De jaarlijkse afname van het tarief kan alleen naar beneden worden aangepast aan de marktontwikkelingen.

Voorbeeld: Er kan besloten worden om het tarief in 2024 niet met 2% maar met 1% te laten dalen. Om lange termijn zekerheid te behouden kan dit tarief niet later gecompenseerd worden. Ook is het niet mogelijk om het tarief sneller te laten dalen.

  • Er kan in de toekomst besloten worden om het invoedtarief niet te laten gelden voor nieuwe installaties.

Voorbeeld: Technologische ontwikkelingen zorgen voor een significant lagere prijs en/of hogere opbrengst van de zonnepanelen waardoor dit leidt tot over-stimulering.

We horen graag hieronder wat jouw voorstel is.

Businesscase voor zonnepanelen

Klik op onderstaand plaatje om de voorbeeld businesscase van particulieren en kleinverbruik te downloaden en zelf mee te rekenen.Businesscase voor zonnepanelen bij invoedtarief voor particulieren en kleinverbruik

  • Albert Zonneveld

    Het lijkt me dat het feed in tarief niet het terugkooptarief van de energieleverancier moet bevatten maar alleen een compensatie gerelateerd aan de hoogte van de energiebelasting. Energieleveranciers kunnen dan ook blijven concurreren op terugleveretarieven.
    Bijvoorbeeld nu bestaat een kWh prijs uit ongeveer 18 cent waarvan 14 cent energiebelasting (incl BTW) en 4 cent elektriciteitskosten.
    De overheid zou kunnen kiezen om bijvoorbeeld 12 cent feed in tarief te vergoeden aan de energieleveranciers en de energieleveranciers dat bedrag te laten verhogen met een vergoeding voor de teruggeleverde energie naar keuze waarbij zij de teruggeleverde stroom als groen stroom mogen doorverhandelen. Een groene energieleverancier kan dan mogelijk 18 cent aan terugleververgoeding bieden (waarvan dus 12 vergoed door de overheid) en een minder groene leverancier bijvoorbeeld 16 cent.

  • Beste Albert,

    Ik ben het met je eens dat het invoedtarief (rij 44) los moet staan van het teruglevertarief (rij 33). Daarom staat dit ook apart in het excel model.

    Waarom moet de compensatie gerelateerd zijn aan de energiebelasting?

    Ik zou me wel kunnen voorstellen dat de overheid, net als bij de SDE+, het tarief wil relateren aan de marktprijs van elektriciteit (d.m.v. een correctiebedrag). Je ontvangt dan dus een tarief waar het correctiebedrag nog vanaf gaat. Als de marktprijs stijgt, dan wordt het teruglevertarief van de energiemaatschappij hoger en het tarief van de overheid lager en vice versa.

    Dit hebben we vooralsnog niet in het model gezet omdat dit het model wat ingewikkelder maakt en de uitkomst niet echt veranderd bij onze aannames (0% indexatie marktprijs).

    ^matthijs

  • Albert Zonneveld

    Bij het huidige salderen bestaat de ‘subsidie’ van de overheid uit de energiebelasting.
    De overheid verliest 14 cent per gesaldeerde kWh aan belastinginkomsten.

    Het ligt voor de hand dat een feed-in subsidie van de overheid sowieso iets lager zal liggen dan dat huidige verlies aan belastinginkomsten omdat de overheid van mening is dat volledig salderen te duur wordt voor de overheid en in de komende jaren te gunstig wordt voor PV bezitters naar mate de investeringskosten van PV installaties dalen.

    De overheid zal naar feed-in tarief streven waarbij de terugverdientijd van een PV installatie voor particulieren rond de 7 jaar is omdat dat volgens een ECN onderzoek de sweet spot is waarop particulieren overwegen een PV installatie aan te schaffen. Naar mate PV installaties goedkoper worden en de terugverdientijd onder de 7 jaar zakt zal de overheid het feed-in tarief langzaam blijven verlagen.

  • Voor de uitvoerbaarheid van de regeling zal altijd voor iedereen het tarief op een bepaald moment hetzelfde moeten zijn. Of iemand zijn installatie nu kort of lang heeft. Om te zorgen voor lange termijn zekerheid zal men de tarieven voor de toekomst dus vast moeten leggen.

    Omdat de installatieprijzen dalen zal het invoedtarief afgebouwd moeten worden om overstimulering in de toekomst te voorkomen. Maar om nu de terugverdientijd/rendement op het huidige niveau te houden, zal het invoedtarief dus hoger moeten liggen dan het huidige ‘kosten’ voor de overheid van EB en ODE van 14 cent. Bij de huidige salderingsregeling wordt namelijk niet afgebouwd (de eerder gecommuniceerde deadline van 2023 daar gelaten).

    Het doel van de overheid zou volgens mij moeten zijn de salderingsregeling te vervangen door een gelijkwaardige regeling waarbij ze de kosten voor de toekomst in de hand kan houden. Het doel moet niet zijn om vanaf dag 1 minder of gelijke kosten te maken als overheid. Ik ben het (helaas) met je eens dat het voor de hand ligt dat de overheid de huidige kosten wel als uitgangspunt zal nemen. Vandaar dat we de discussie ook liever nu hier al voeren dan achteraf.

    ^matthijs

    • Albert Zonneveld

      Het invoedtarief zal qua kosten vanuit de overheid initieel in mijn ogen zeker niet hoger liggen dan de huidige overheids salderingskosten van 14 cent omdat er al een grote populatie aan zonnepaneel installaties is die daarvan overmatig zou profiteren en omdat de overheid per gerealiseerde PV capaciteit eerder minder dan meer zal willen uitgeven dan nu.

      • Ja de huidige installaties zouden inderdaad overmatig profiteren van een hoger tarief, uiteraard afhankelijk van het tarief en de afbouw. Hoe zou jij het tarief dan voorstellen zodat het wel voldoet aan de in het blog omschreven uitgangspunten?
        14 cent, 0% daling voor x jaar en daarna daling van x% per jaar?

        ^matthijs

        • Nav de nieuwe inzichten het voorstel aangepast en een update van de BC gemaakt. Nu ook mogelijk om het invoedtarief een aantal jaren vast te maken.

  • Pascal Bleij

    Wellicht is het een goed idee om het principe toe te passen om de (volledige) saldering te behouden totdat de investering is terugverdient. Dat geeft mensen zekerheid voor een terugverdientijd en volgens mij is de huidige salderingsregeling juist de reden dat je de meeste sets rond 7 jaar hebt terugverdient. Volgens mij heb je dan het hele invoedtarief discussie niet nodig.
    De stelregel, na die 7 jaar, is dat de salderingsregeling vervalt en worden mensen volledig aangespoord om met energieopslag te werken of hun stroomverbruik in lijn te laten lopen aan de opwekking (2 nieuwe investeringen nodig – batterij & WCD controllers). Dus na initiële investering hebben de eigenaren 7 jaar de tijd om goed inzicht in verbruik te krijgen en te sparen voor die 2de investering. De 2de investering kan dan ook met nieuwe subsidies in gang kan worden gezet net zoals de initiële 7 jaar op panelen, maar daar hebben we nog 2 kabinetperiodes voor om dat eens te overzien.
    Mijn inziens zorgt dit idee ervoor zorgen dat mensen dan zo snel mogelijk panelen (of zelfs windmolens) gaan installeren door het simpel en financieel zeker te maken (je verliest immers niets en kan alleen maar winnen), en daarna te zorgen dat de installatie ‘slim’ wordt als 2de investering.

    De overheid zorgt er hiermee voor dat de ‘subsidie’ eindig is en het risico van overstimulering weg is zonder enige moeilijke regeling zoals een invoedtarief. Hoe meer zelfvoorzienend iemand wordt in die eerste 7 jaar hoe minder energiebelasting en ODE er wordt betaald (want er is minder verbruik). De gebruiker investeert tenslotte zelf in ODE. Het net wordt daarmee minder belast (in ieder geval in de zomer maanden).

    Ergens in mijn brein speelt nog een gedachte van ‘goedkoop’ vs. ‘duurkoop’ en ‘made in europe’ en ‘made in global’ en dat de terugverdiendtijd of IRR afhankelijk wordt van deze variabele.
    En op een landelijk niveau is er nog een discussie nodig zoals bijvoorbeeld dat ODE gebruikt moet gaan worden voor subsidies aan bedrijfsleven die ook in ODE doen (dus in opslag en niet generatie van energie). Maar da’s een andere politieke discussie.

    • Beste Pascal,

      Zoals in het blog aanbevolen, zijn wij geen voorstander van een beleid dat zich richt op een terugverdientijd (van 7 jaar) omdat hiermee de focus ligt op de particuliere woningeigenaar die het systeem zelf betaalt. Het gevaar van deze focus is een regeling die een korte looptijd heeft (van 7 jaar), zoals ook door jouw voorgesteld. De markt voor kleinverbruikers is veel groter dan alleen particulieren die het systeem zelf betalen, en alle type projecten en financieringswijze (lening/lease) moeten gestimuleerd worden om de markt voldoende te laten groeien.

      ^matthijs